Honderd jaar Limburgs Sagenboek. Op zoek naar de bronnen van Pierre Kemp

Ludo Jongen, augustus 2025

Behalve dichter was Pierre Kemp (1886-1967) ook verzamelaar van volksverhalen, althans tussen 1914 en 1924.

Pierre Kemp (±1915). (Den Haag, Literatuurmuseum, NLMD02 K 02902 III 004)
Pierre Kemp (±1915). (Den Haag, Literatuurmuseum, NLMD02 K 02902 III 004)

In 1925 verscheen zijn Limburgs sagenboek. In een ‘Ter inleiding’ geeft hij aan dat het zijn opzet was ‘mogelijk een complete verzameling van alle Limburgse sagen en legenden te geven. Naarmate het werk vorderde, bleek het mij, dat dit onbereikbaar zou wezen en wellicht ook doelloos.’ Hij stopte met verzamelen en gaf de inmiddels bijeengebrachte verhalen uit.

Pas in 1968, een jaar na zijn dood, verscheen een ongewijzigde herdruk van Kemps collectie bij de Maastrichtse uitgever Leiter-Nypels. Uit de drukgeschiedenis zou men kunnen opmaken dat Kemp tijdens zijn leven weinig succes had met zijn volksverhalen. Gelukkig is na 1968 het Limburgs sagenboek enkele malen herdrukt (onder andere omstreeks 1970 door Veldeke/ Vroom en Dreesmann). De twee ‘openingshoofdstukken’ (Van heiligen en vromen & Van kerken, kapellen en wonderbeelden) zijn naar het eind van de verzameling verplaatst, wat een andere paginering opleverde. Bovendien werd de bundel ‘herdoopt’ tot Limburgse sagen en legenden.

Jammer genoeg heeft Pierre Kemp vrijwel nergens aangegeven hoe hij in het bezit van zijn verhalen is gekomen. Dat was in het eerste kwart van de twintigste eeuw wellicht ook niet gebruikelijk. Maar wij, een eeuw later levend, willen weten waar, wanneer en door wie de verhalen zijn verteld. Bovendien willen we graag weten of er eerder of elders een soortgelijk verhaal is opgetekend. In de afgelopen eeuw is er een omvangrijke hoeveelheid data verzameld en sinds het begin van de 21e eeuw zijn die vaak digitaal toegankelijk, bijvoorbeeld via de databanken van het Meertens Instituut. Uit het latere onderzoek van onder anderen J.R.W. Sinnighe en Willem de Blécourt wordt duidelijk dat de verhalen die Kemp heeft verzameld, behoren tot het internationale vertelgoed waar vertellers door de eeuwen uit hebben geput.

Twee bronnen

Sporadisch vermeldt Kemp zijn zegsman of bron. In één geval doet hij dat zelfs zeer uitvoerig. Zo citeert hij in De Tellsage en het Limburgse dorp Elsloo een buitensporig lange passage uit een artikel van ‘Dr. de Witt Huberts’ over hoe de sage over de Zwitserse volksheld in het Limburgse dorp verzeild is geraakt.

Onder de titel Maastricht doet hij iets dergelijks. Hij zet de tekst tussen aanhalingsteken ten teken dat het een citaat betreft:

‘Omtrent het jaar 3926, naer de schepping, der Wereldts, hebben de Romijnsche Veldtheeren het Beginsel en den Naem aen de Stadt van Maestricht gegeven, volgens de woorden van de oude Historie Schrijvers: Erat enim hic locus ubi copiae Romanorum Mosa Trajectum faciebant, ducente illuc viâ militari sive calciatâ.

Dat is: want hier was de plaetse alwaer de Romijnsche krijgslieden des Maes-Treck, oft den tocht over de Maese deden, leijdende naer den steenweg, of te kasseij. En van dit trecken over de Maese heeft dese Stadt den Naem van Maestricht ontvangen.’

Dit bericht heeft Kemp overgenomen uit T.J. de Boek. Het is me niet gelukt de identiteit van deze persoon te achterhalen en daardoor blijft ook de bron onbekend.

Een middeleeuwse bron

Vier keer put Kemp uit de Dialogus miraculorum [Boek der mirakelen] van Caesarius van Heisterbach (±1180 - ±1240). Hij was een cisterziënzer monnik in de abdij van Heisterbach (Abbatia Vallis Sancti Petri) in het Zevengebergte. De ruïnes van de abdij bevinden zich thans op het grondgebied van Königswinter, nabij Bonn. Caesarius vergezelde zijn abt vaak op zijn reizen door het Rijnland. Daarbij hoorde hij allerlei wonderbaarlijke verhalen en die vertrouwde hij aan het perkament toe.

Caesarius’ Dialogus miracularum (± 1350) (Düsseldorf, Universitäts- und Landesbibliothek, Ms. C27, fol. 1r) en het Caesarius Denkmal, Königswinter/Oberdollendorf (1991, Ernemann Sander).
Caesarius’ Dialogus miracularum (± 1350) (Düsseldorf, Universitäts- und Landesbibliothek, Ms. C27, fol. 1r) en het Caesarius Denkmal, Königswinter/Oberdollendorf (1991, Ernemann Sander).

De door Kemp aan Caesarius’ collectie ontleende wonderverhalen zijn: De verdoemde gehangene, Een woekeraar kauwt bij zijn sterven geld, De duivel in de gedaante van de Gelukzalige Maagd Maria en Het spooktournooi. Het laatste verhaal speelt zich af in de omgeving van Maastricht, het tweede bij Rolduc, het eerste en het derde lokaliseert Kemp geheel ten onrechte in Maastricht. De verdoemde gehangene situeert hij als volgt:

Voor weinige jaren werd in het bisdom Maastricht, in de buurtschap die Walena heet, een dief gegrepen […].

Dit zou een vertaling moeten zijn van het Latijnse:

Ante paucos annos in episcopatu Traiectensi in vicinia que Valewa nominatur fur quidam captus est […].
[Enkele jaren geleden is in het bisdom Utrecht, in de omgeving van de Veluwe, een dief opgepakt]

Met deze woorden opende Caesarius De furo suspenso, qui se dixit dampnatus, quia corpus Christi non creditdit [Over een opgehangen dief die zichzelf verdoemd achtte omdat hij niet geloofde (dat de hostie) het Lichaam van Christus (is)]. Het maakt deel uit van een serie Sacramentswonderen. Ofschoon Kemp in een noot erop wijst dat Maastricht al sinds Hubertus (655-727) geen bisdom meer was, kwam hij niet op het idee dat met Traiectum wellicht een ander bisdom bedoeld zou kunnen zijn, te weten Utrecht.
Kemp is overigens wel consequent want in het derde verhaal uit Caesarius’ collectie doet hij min of meer hetzelfde:

Magister Wiger, heer van Maastricht, nu overgegaan in de orde der Minderbroeders, heeft me verteld, wat ik (Caesarius van Heisterbach) nu ga zeggen.

Dit zou moeten corresponderen met:

Retulit michi magister Wigerus, prepositus in ecclesia Traiectensi, nunc in ordine fratrum Minorum conversus, quod dicturus sum.
[Meester Wigerus, proost van de (Sint-Pieters)kerk in Utrecht, thans overgegaan naar de orde van de Minderbroeders (Franciscanen), heeft me meegedeeld wat ik ga vertellen].

Voor zover mij bekend had Kemp alleen de lagere school doorlopen. Of hij zich op latere leeftijd het Latijn heeft machtig gemaakt, betwijfel ik. Wellicht zijn de Latijnse Trajectum-passages door een Latinist vertaald. Aan hem zouden we dan de Maastricht-connectie in de ontleende verhalen te danken hebben.
De ‘heren Dr. Doppler en Dr. Goossens’ die Kemp in zijn Ter inleiding expliciet dankt, komen daar mijns inziens niet voor in aanmerking. Zij waren tussen 1922 en 1933 Rijksarchivaris in Limburg en bestuurslid van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG). De laatste deelde hem verhalen uit zijn eigen collectie mee, zoals Kemp expressis verbis vermeldt in het Ter inleiding. Maar het lijkt me sterk dat deze heren een dergelijke vertaalfout zouden hebben gemaakt.

Leden van de Maastrichtse Stedelijke Monumenten Commissie ("Commissie voor de Bewaring van Geschiedkundige Gedenkstukken") poseren in het Generaalshuis (Gemeentearchief en -bibliotheek), Vrijthof 47. Eerste van links: dr. J.W.H. Goossens (gemeente-archivaris), tweede van links: dr. P.M.H. Doppler (hoofdcommies Rijksarchief). (Fotocollectie RHCL Maastricht, GAM 10426).
Leden van de Maastrichtse Stedelijke Monumenten Commissie ("Commissie voor de Bewaring van Geschiedkundige Gedenkstukken") poseren in het Generaalshuis (Gemeentearchief en -bibliotheek), Vrijthof 47. Eerste van links: dr. J.W.H. Goossens (gemeente-archivaris), tweede van links: dr. P.M.H. Doppler (hoofdcommies Rijksarchief). (Fotocollectie RHCL Maastricht, GAM 10426).

De incorrecte vertaling van Traiectum komt nog eenmaal voor, namelijk in een wonderverhaal over de heilige Willibrordus (±658-737), de patroonheilige van Nederland. In dit verhaal worden tijd noch plaats genoemd. Dat Kemp het heeft opgenomen, komt door de eerste zin ‘Ten tijde van Willibrordus, de heilige bisschop van Maastricht…’. Dit is uiteraard onzin, maar doordat Kemp in een noot meldt ‘Aldus de legende!’, lijkt het erop dat hij het verhaal geloofde. Jammer genoeg noemt Kemp ‒ zoals gebruikelijk ‒ zijn bron niet. Heeft hij zich laten (mis)leiden door een soort Maastrichts chauvinisme?

Schatplichtig

Toch kunnen we nog enkele bronnen aanwijzen. In het hoofdstuk Van heksen en maren staat een verhaal met de titel Een meid, die zich kon veranderen in een kat:

Op zekere dag begaf zich de knecht van de Sibberhof onder Oud-Valkenburg naar de z.g. Langkuil om er de paarden te drenken. Toen hij daarmee bezig was, kwam ook de meid van Wijnands aan om water te scheppen. Ze had het hoofd zwaar met doeken verbonden en de knecht vroeg haar dadelijk deelnemend, wat haar dan wel overkomen was. Op zijn vraag kreeg hij het volgende antwoord: ‘Als je niet zo een goede vriend van me was, dan had ik je gisterenavond een ander dansje geleerd.’ Nu ging de knecht een licht op. De vorige avond had hij zijn schoenen met vet ingesmeerd en toen er een kat een van de gesmeerde schoenen kwam aflikken, had hij haar met de andere schoen een flinke tik op de kop gegeven. Voorzeker was het die meid geweest, die zich in een kat had veranderd.

In zijn Volksverhalen uit Nederlands Limburg (1981) heeft Willem de Blécourt aangetoond dat Kemp dit verhaal heeft overgenomen uit ‘handschrift J.W.H. Goossens’ dat in het Rijksarchief te Maastricht berust. Goossens heeft dit verhaal opgetekend op 4 januari 1912, onder vermelding van: ex relatione patris mei, qui id saepius narrari audivit tempore juventutis suae [uit de mond van mijn vader, die het dikwijls heeft horen vertellen in zijn jeugd]. De studie van De Blécourt blijkt een ware goudmijn voor het traceren van bronnen van Kemp, die zo’n 25 verhalen heeft overgenomen, zij het met kleine aanpassingen. Zo paste Kemp de oorspronkelijke titel (Een vrouw die zich in een kat kon veranderen te Sibbe) aan.

De Blécourt laat ook zien dat Kemp schatplichtig was aan de twee delen die H. Welters in zijn Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (1875-1876) het licht had doen zien. Bijvoorbeeld De vuurman van Venlo:

Jaren en jaren geleden vertoonde zich in de omstreken van Venlo bij de onderste Houtmolen, alle nachten een vuurman. De bewoners van de omgeving moesten hem ieder jaar een tol betalen, te weten: een kar zand, een paar blikken schoenen en zeven-en-een-halve stuiver.
Op zekere avond dat de knecht van de bovenste Houtmolen des avonds laat met paard en kar uit de stad terugkeerde, zag hij in de nabijheid van de onderste Houtmolen, boven op de berg een man staan. Hij meende dat het een vriend van hem was, een die de bijnaam van de ‘Dikke’ had en daarom riep hij hem, zonder enige moedwil, toe: ‘Dikke, geef me eens wat vuur!’
Maar nu kwam de vuurman op hem af. De knecht dreef het paard aan, te lopen wat het lopen kon en hij had bij de molen nog juist de tijd van de kar te springen en de deur van de schuur in het slot te gooien. Een koolzwarte hand die men des morgens op de schuurdeur vond afgeprent, bewees maar al te goed dat de knecht zich het hele geval niet met een dronken kop had verbeeld.

Kemp heeft dit verhaal met enige aanpassingen, zoals de toevoeging dat de knecht niet dronken was, overgenomen uit het tweede deel van Welters’ collectie. Welters vermeldt echter wel van wie hij het verhaal had gehoord, namelijk van J. Michels. Volgens De Blécourt was dat M.H.H. Michels (1853-1920), de zoon van een molenaar. Hij teelde bloemen en bomen, was bovendien amateur-archeoloog en gemeentesecretaris van Venlo. Ofschoon Michels een aantal verhalen aan Welters’ collectie heeft bijgedragen, heeft hij zelf niets dienaangaande gepubliceerd.

Tot slot

In de twee eerste hoofdstukken ‒ over heiligen en wonderbeelden ‒ heeft Kemp een aantal bronnen gebruikt. Zo zou het verhaal over de luchtreis van Winandus van Elsloo ontleend kunnen zijn aan de Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach (Zie Moolenbroek 157-161 en Bartelink 2, 256-257). Kemp zal ongetwijfeld verhalen hebben opgetekend uit de mondelinge overlevering. Omdat hij nergens zijn zegslieden noemt, valt niet te achterhalen welke verhalen dat zijn. Kemp was geen moderne onderzoeker: hij was een literator met interesse in verhalen die onder ‘het volk’ leefden.

Amersfoort, Sint-Benedictus MMXXV

Om verder te lezen

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg. Samengesteld door […]. Utrecht/Antwerpen 1981. (Onze volksverhalen).
Annemarieke Graveland, ‘Verdoemd of demonisch.’ Neerlandistiek.nl, d.d. 26/06/2025.
Caesarius van Heisterbach, Boek der mirakelen. Ingeleid & vertaald door G.J.M. Bartelink. 2 dln. 's-Hertogenbosch 2003-2004.
Ludo Jongen, ‘Der blutende Faden in der Legenda de Sancto Petro Martyre.’ In: ‘Der muoz mir süezer worte jehen’. Liber amicorum für Norbert Voorwinden. Herausgegeben von Ludo Jongen & Sjaak Onderdelinden. Amsterdam/Atlanta 1997. [= Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 49]. 41-55.
Ludo Jongen, ‘Erfgoed bewaren. De legende van de heilige Gerlach door Pierre Kemp.
Ludo Jongen, ‘Ad Welters: een vergeten verhalenverteller’.
Pierre Kemp, Limburgs sagenboek. Inleiding van Frans van Oldenburg Ermke. Maastricht: Leiter-Nypels, 1968.
Pierre Kemp, Limburgse sagen en legenden. Maastricht: Veldeke/Vroom en Dreesmann, 1970.
Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven. Nijmegen 2010.
Meertens Instituut >collecties > databanken > volksverhalenbank van de Lage Landen.
Jaap van Molenbroek, Mirakels historisch. De exempels van Caesarius van Heisterbach over Nederland en Nederlanders. Hilversum 1999. (Middeleeuwse studies en bronnen 65).
J.R.W. Sinninghe, Limburgsch sagenboek. Zutphen 1938. [Fotomechanische herdruk].
Josien Stehouwer, Volksverhalen uit Limburg. Samenstelling en bewerking […]. Liempde 2002.
Pierre J.H. Ubachs & Ingrid M.H. Evers, Historische encyclopedie Maastricht. Zutphen/Maastricht, 2005.
H. Welters, Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen. Verzameld en uitgegeven door […]. 2 dln. Maasbree 1982 [fotomechanische herdruk editie Roermond 1875-1876].

Meer literatuurportretten lezen? Klik dan hier.