Verdwenen liedjes uit Lotharingen

Ine Sijben, mei 2019

Mensen hebben overal en altijd gezongen, van jong tot oud, van hoog tot laag. In de Oudfranse roman Galeran de Bretagne uit het begin van de dertiende eeuw is te lezen hoe een adellijk meisje haar opvoeding krijgt. Ze leert onder andere liedjes: chançons gascoignes et françoises, loerraines, et laiz bretons. Drie van de vier zijn overbekend. De laiz bretons waren lange gezongen romances, de chançons gascoignes en de chançons françoises vormden het grand chant courtois, de legendarische Franse hoofse minnelyriek van troubadours en trouvères, in het Duitse taalgebied als Minnesang nagevolgd. Het zijn veelstrofige, kunstige gedichten over de fin’amor, de verfijnde liefde, gezongen door de dichter zelf, bestemd voor een select publiek van literair ingewijde toehoorders. De dichter-zangers kennen we met naam en hun teksten zijn in vele, vaak fraai verluchte handschriften bewaard gebleven.
Maar het chançon loerraine, lied uit Lotharingen, is in de literatuurgeschiedenis niet bekend. Lotharingen was het oude Frankische Middenrijk tussen Rijn en Schelde, deels Frans-, deels Nederlandstalig, dat in de twaalfde eeuw opgehouden had te bestaan. Het Maasland maakte er deel van uit, een ‘Lotharings’ liedtype moet daar zeker in zwang geweest zijn. Alleen lijkt er geen letter van op papier of perkament te zijn gekomen.
In dit literatuurportret volg ik de Vlaamse mediëvist Frank Willaert op zijn speurtocht naar het verdwenen Lotharingse lied in onze streken.

In Lotharingen worden leukere liedjes gemaakt dan waar dan ook!

Het chançon loerraine duikt nog een keer op, in de vroeg dertiende-eeuwse Roman de la Rose, daar blijkt het een populair danslied te zijn: adellijke dames en heren zingen en dansen op het frisse gras, op de muziek van trommel- en fluitspelers:

Si chantoit li uns rotruanges
Li autres notes looranges
Pour ce cón fait en Loeraine
Plus cointes notes q’en nul regne.

Vertaald: ‘De een zong ‘rotruenges’ (een soort refreinliederen), een ander Lotharingse liedjes, want in Lotharingen worden leukere liedjes gemaakt dan waar dan ook!’
Franstalige dansliederen uit die tijd staan in de roman Guillaume de Dole, die zich grotendeels afspeelt in het bisdom Luik, het hart van het oude Lotharingen. Het zijn korte, simpele liedjes met refreinen die door de deelnemers zelf worden gezongen. Alleen wordt nergens vermeld waar de liedjes vandaan komen. Uit Lotharingen zelf?
Ook het - wél geïmporteerde - Franse chanson courtois is vertegenwoordigd in de roman maar de auteur zegt dat hij daar maar een of twee strofes van citeert. Waren ze hem te lang?, vraagt Frank Willaert zich af, of niet cointe, leuk genoeg?
Hoe dan ook, de roman laat zien dat in Lotharingen vooral de korte ‘meezinger’ geliefd was, en tevens dat men er hoogstwaarschijnlijk niet overliep van enthousiasme voor het waardige grand chant courtois. Wat betreft de Lage Landen wordt dat laatste bevestigd door de literatuurgeschiedenis: het klassieke hoofse minnelied heeft in het Middelnederlands nooit voet aan de grond gekregen.

Een laat handschrift van de ‘Roman de la Rose’, met rijdans en de passage over de ‘notes looranges’.
Het ‘zwarte gat’ in de Lage Landen

Ondanks het klaarblijkelijke plezier dat de inwoners van de noordelijke streken hadden in zingen en dansen, is tot de vijftiende eeuw nauwelijks Nederlandstalige lyriek overgeleverd. Jazeker, er zijn de vroege hoofse minneliederen van de Maaslander Hendrik van Veldeke en een eeuw later een paar hupse liefdesliedjes van de Brabantse hertog Jan I, maar beide niderlender zijn alleen in een Duits idioom en in Duitse verzamelhandschriften opgenomen. Veldeke werd zelfs als ‘oosterling’ beschouwd: er inpfete daz eerste ris in tiutschter zungen (‘hij entte de eerste loot in de “Duitse” taal’) dichtte Gottfried van Straatsburg rond het jaar 1210 in zijn onvoltooide roman Tristan und Isolde, en met tiutsch bedoelde hij het Middelhoogduits van het gebied tussen Rijnland en Thüringen.
Nog zo’n eenling is de dichtende en zingende Brabantse begijn Hadewijch uit de dertiende eeuw, en verder resteren er slechts losse flarden lyriek, veelal afkomstig uit het gebied ten zuidoosten van Aken. De letterkundigen kunnen daarom niet anders dan concluderen dat er in de Lage Landen in die tijd geen sprake is geweest van een lyrische traditie. Pas rond het jaar 1400 komt de productie van geschreven liederen op gang, en dan zijn het er ineens heel veel. Frank Willaert kan maar moeilijk geloven dat die uit het niets zijn komen vallen en heeft dan ook de voorafgaande periode tot ‘zwart gat’ uitgeroepen: in een zwart gat is weliswaar niets waar te nemen, maar er gebeurt wel degelijk van alles!

Zeker voor het Maasland is het ontbreken van overgeleverde lyriek verwonderlijk. Het stond niet alleen in nauw contact met het nabijgelegen Franstalige gebied (aan Maaslandse hoven zoals Gelre, Loon en Kleef circuleerden de nieuwste Franse ridderverhalen en Franstalige hoofse chansons), maar er was ook een actief mecenaat voor de literatuur in de volkstaal. Gravin Agnes van Loon bijvoorbeeld gaf de opdracht voor Veldekes Sente Servas, en de epiek beleefde er zelfs een vroege bloei: de eerste Middelnederlandse bewerkingen van Franse hoofse ridderromans zijn ontstaan in het Maasland, vermoedelijk in Gelre. Maar van volkstalige lyriek vrijwel geen spoor. Redenen genoeg om eens beter te kijken naar de weinige resten ervan.

Daarvoor moeten we eerst naar de minneliederen van Hendrik van Veldeke, weliswaar navolgingen van het Franse hoofse chanson, maar ze zijn speelser en veel korter, vaak bestaan ze uit slechts één strofe. Door die beknoptheid kon Veldeke een stijlmiddel aanwenden dat onbekend is in het chanson courtois: de zogenaamde ‘ironische pointe’. Neem de laatste regels van zijn beroemde Tristanlied:

Wol getâne
Valsches âne
Lâ mich wesen dîn
Unde wis du mîn

Letterlijk vertaald: ‘Fraai gebouwde, zonder valsheid, laat me wezen van jou, en wees jij van mij’.
Dat klinkt een stuk nuchterder dan het hoofse Franse minnelied, waarin de minnaar geketend is aan de beminde en zelfs afgewezen trouw blijft tot in de dood. Veldekes verzen zou je vrij kunnen vertalen als: ‘Je bent een bovenstebeste mooie meid, maar voor wat hoort wat.’
En zo neemt Veldeke afstand van de fin’amor. Zien we hier een weerklank van, en wellicht een discreet geuite voorkeur voor de korte, ‘veel leukere’ Lotharingse liedjes? En daarmee een spoor van een regionale, door het Lotharingse danslied gevoede lyrische traditie? Het is een feit dat de taal van Veldekes liederen nogal wat ‘Maaslands’ vertoont...

Harba lori fa zong de hertog

Eind dertiende eeuw schrijft hertog Jan I van Brabant, die zichzelf beschouwde als erfopvolger van het Lotharingse Middenrijk, negen liefdesliedjes in een Hoogduits-Middelnederlandse mengtaal. Het is niet bekend wanneer ze precies geschreven zijn, voor of na de Slag bij Woeringen in 1288, toen Jan I een vernietigende slag toebracht aan de verzamelde legers van Keulen, Gelre en Luxemburg. Wel staat vast dat hij zich richtte op een oostelijk publiek met Minnesang in de volkstaal. Maar de vorm wijkt af van de gebruikelijke hoofse zang: de liederen hebben drie strofes en een refrein en lijken daarmee sprekend op dansliederen in een Franstalig liedboek uit Lotharingen waarin lyriek van trouvères werd ingekort tot drie strofes. Frank Willaert doopt het het type tot ‘virelai-ballade’. Met dit eigen, typisch ‘Lotharings’ geluid zal de hertog zeker zijn aanspraken op het gebied benadrukt hebben! Zijn virelai-ballades zijn het eerste zwart-op-wit bewijs van het bestaan van het Lotharingse lied in de Lage Landen.

De zingende vechtjas Jan I, afgebeeld in het Manessische Liederhandschrift

Na enig speurwerk blijkt er nog een (deel van) zo’n virelai-ballade op papier te zijn gezet. Het is een dansliedje, gezongen door Maria Magdalena, in het religieuze ‘Maastrichtse Passiespel’, ook het ‘Ripuarische Passiespel’ genoemd, in het begin van de veertiende eeuw geschreven in de omgeving van Aken. Maria Magdalena verschijnt als een frivole hofdame. De taal van haar liedje is westelijk, afwijkend van het oostelijkere Ripuarisch van het spel. Het moet een bestaand lied zijn geweest, door de auteur ingevoegd om verderfelijke wereldsheid aan te tonen, en als zodanig zeker zijn herkend door de toeschouwers:

Alle creaturen
Vrouwent sich der liver zijt
Rosen, blumen hure
Siet man springen wider strijt

Si woren versunden
Si hant or leit verwonden
Sie dun uns den sumer kunt

Susze, suverliche
Werde ich vrouwen riche
Dat deit mir din roder munt

‘Alle schepselen verheugen zich in het lieflijke jaargetijde: rozen, bloemen, ziet men nu om het snelst ontspringen. Ze waren verdwenen, ze hebben hun leed overwonnen, ze kondigen ons de zomer aan. Zoete, zuivere vrouw, als ik vol ben van vreugde, dan is dat om je rode mond.’

De conclusie dient zich aan: de virelai-ballade was een inheems, populair genre in de niderlende en stond als ‘Lotharings lied’ bekend in Frankrijk. Het werd echter blijkbaar alleen bij hoge uitzondering opgeschreven. De reden kan zijn, volgens Frank Willaert, dat de anonieme, pretentieloze dansliedjes te weinig prestige hadden om aan het kostbare perkament toe te vertrouwen. Maar ze hadden wel de voorkeur boven het elders dominante hoofse Franse chanson, dat dus óók niet werd opgetekend.
Maar dat zal spoedig veranderen.

Dw welt dw ist an allen orten reinisch

Het is medio veertiende eeuw als de Oostenrijkse dichter Heinrich Der Teichner de verzuchting slaakt: Der alten lied ist gar vergezzen, mit der weiz und mit den worten. Dw welt dw ist an allen orten reinisch waren und unstaet. Vrij vertaald: ‘Het oude lied (bedoeld wordt de hoofse Minnesang) is compleet vergeten, zowel de wijsjes als de woorden. De hele wereld is Rijnlands geworden, je weet niet meer waar je aan toe bent.’
Hoe die nieuwe liedjes er ongeveer uit hebben gezien lezen we in de ‘Limburger Chronik’ van Tilemann Ehlen von Wolfhagen. Voor het jaar 1360 noteert hij dat de dictamina unde gedichte in Düschen lidern sich vurwandelten, en ook veranderd is ez mit den pifen unde pifelspel unde hat ufgestegen in der museken: ‘woorden en rijmvormen van het “Duitse” (streektalige) lied zijn veranderd, en ook het fluitspel, zodat de muziek belangrijker is geworden.’ Hij geeft een voorbeeld van zo’n lied. Het is kort, de tekst is simpel en het heeft een steeds herhaald refrein dat door de aanwezigen meegezongen wordt...

Wat is er gebeurd? De Lotharingse driestrofige virelai-ballade, trendsetter in de Lage Landen en gezongen tot in Frankrijk, steekt in de loop van de veertiende eeuw ook de grens naar het Duitse taalgebied over, waar het de klassieke Minnesang verdringt. Vanaf de vijftiende eeuw, in de Frans- Nederlands- en Duitstalige gebieden, wordt het danslied dominant in de liedverzamelingen en daarmee blijkt de anonieme Lotharingse liedcultuur een bepalende invloed te hebben gehad op de laatmiddeleeuwse lyriek in noordwest-Europa. Het ‘zwarte gat’ is gevuld.

Literatuur

Dit portret is gebaseerd op studies van Frank Willaert naar lyrische genres in de Middeleeuwen. Niet iedereen is het met zijn conclusies eens, bijvoorbeeld Helmut Tervooren, de auteur van het handboek over de literatuur in het Maas-Rijngebied Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprächlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas, Berlijn 2005.
Ruim aandacht aan het Maasland schenkt Frits van Oostrom in zijn Stemmen op schrift. De geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam 2006.
Een uitgebreide inleiding op de literatuur van het Middeleeuwse Limburg is Ludo Jongen, ‘Van het begin tot 1500. Van geschreven tot gedrukte letters.’ In: Lou Spronck, Ben van Melick en Wiel Kusters (red.), Geschiedenis van de literatuur in Limburg, Vantilt/LGOG 2016.

Hier vindt u alle literatuurportretten >>