Taecke J. Botke, een overlever

Jos Perry, september 2019

Of schrijvende tandartsen dik gezaaid zijn weet ik niet. Maastricht heeft er in de twintigste eeuw minstens twee gekend: Jef Heydendael (1915-1999) en Taecke Jitze Botke (1901-1990). Dat ontdekte ik toen ik materiaal verzamelde voor het ‘oorlogshoofdstuk’ in de Geschiedenis van de literatuur in Limburg.
Het was Fred Cammaert, geschiedschrijver van de georganiseerde illegaliteit in Limburg, die mij attendeerde op de ‘concentratiekamp-mémoires’ van Botke. Samen met graaf De Liedekerke uit Eijsden had Botke deel uitgemaakt van een netwerk, dat geallieerde piloten via het Maasdal naar Zwitserland hielp. Ze werden verraden. De graaf werd gefusilleerd. Botke belandde in de concentratiekampen Vught, Sachsenhausen en Ravensbrück.
Hij overleefde ze alle drie - profiterend van de omstandigheid dat hij als tandarts een soort medicus was. In elk kamp had je een ‘revier’, een kamphospitaaltje; daar konden ze hem wel gebruiken en zo maakte hij op den duur deel uit van de ‘Prominenz’, de kamparistocratie. Na de bevrijding keerde hij terug naar Maastricht waar hij zijn praktijk als tandarts hervatte.

Portret van Taecke J. Botke door Nicolaas Wijnberg in 1978
Gedrukt, herdrukt, verramsjt

Pas jaren later en niet zonder grote aarzeling is Botke over zijn oorlogsbelevenissen gaan schrijven en publiceren. Het was zijn vriend en geestverwant, de schrijver Cola Debrot (1902-1981), die hem aanmoedigde dat te doen, en die zich inspande er een uitgever voor te vinden. Botkes kampverhalen verschenen in 1966 bij Leiter-Nypels te Maastricht onder de titel Vergeet het toch maar. In 1978 volgde een met vijf verhalen vermeerderde heruitgave bij de Erven Thomas Rap in Baarn, onder een nieuwe titel: Het revier.
In een voorwoord legt Botke uit waarom hij er zo lang mee gewacht heeft. Hij vreesde met zijn ironie de ernst en de tragiek van zijn ervaringen onbedoeld te kort te doen. Aan de andere kant had hij bij ontmoetingen met oud-kampgenoten ervaren dat in hun gesprekken vaak juist de marginale, in de ogen van anderen misschien futiele dingen centraal stonden. ‘Trouwens, hoe zouden wij daarzonder er het leven afgebracht hebben?’ Het leven had iets overzichtelijks. ‘Het beperkte zich bijna tot pogingen om aan eten te komen en niet te bevriezen.’
Botke en zijn verhalen zijn betrekkelijk weinig bekend. Komt dat misschien doordat ironisch schrijven over concentratiekamp-ervaringen veel lezers een ongemakkelijk gevoel bezorgt? Tot zijn vroege bewonderaars behoorde de dichter Leo Herberghs (1924-2019). In het Limburgs Dagblad van 10 november 1966 noemde hij Botke ‘een subtiele aristocratische denker en beschouwer’.
Ook columnist en romanschrijver Ad van Iterson zag de kwaliteiten van Botkes proza. Hij kreeg Het revier cadeau van de cultureel antropoloog Anton Blok. In januari 1982 zag Van Iterson stapels ervan in de Amsterdamse Bijenkorf liggen. Botkes boekje werd verramsjt. Een schande, vond Van Iterson. In het tijdschrift Propria Cures, waarvan hij redacteur was, sprak hij van ‘een verzameling scherpe observaties van grote sociologische verbeeldingskracht’.
Hij zocht contact met de auteur. Van het een kwam het ander. Nog datzelfde jaar verschenen in Propria Cures vier verhalen van Botke. Daarin gaat het opnieuw over de oorlog, maar ook over Botkes moeder, en over de treurnis van avondjes met ‘mannen onder elkaar’.

Noblesse

Van Friese komaf, in Nijmegen geboren, in Utrecht tot tandarts opgeleid, was Taecke Jitze Botke in de jaren twintig van de vorige eeuw verhuisd naar Zuid-Limburg. In een tijd dat daar voor het eerst de leus ‘Limburg voor de Limburgers’ werd aangeheven, had deze ‘vreemdeling’ zijn intrek genomen in een pand dichtbij het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht- en wortel geschoten.
Voor zover hij in de stad bekendheid genoot, kwam dat niet in de eerste plaats door literaire wapenfeiten. In het kapitale pand aan de Bredestraat waar hij woonde werden extravagante feesten gehouden. Botke omringde zich graag met aristocraten, schrijvers en artiesten. Beroemd was zijn kunstverzameling. De kern ervan vormde een collectie schilderijen van Pyke Koch, met wie hij bevriend was geraakt tijdens zijn studentenjaren in Utrecht. ‘Bertha van Antwerpen’ was een van zijn favorieten.

Taecke J. Botke, in 1948 geportretteerd door Daan Wildschut in zijn salon vol kunst en antiek

Dat Botke zijn herinneringen aan de concentratiekampen pas zo'n twintig jaar na de bevrijding op papier vastlegde, is misschien een voordeel geweest. De vroegste publicaties in dit genre vertonen niet zelden een neiging tot gezwollenheid en pathetiek. Dat is een van de observaties van de Neerlandica Bettine Siertsema. Zij promoveerde op een studie getiteld Uit de diepten. Nederlandse egodocumenten over de nazi concentratiekampen (2007). Botke behoort tot de auteurs die grote woorden vermijden. Voor Siertsema is hij een van de interessantste memoire-schrijvers in de categorie ‘overige’ (lees: niet-joods en niet-christelijk). Zij noemt hem in één adem met Yvo Pannekoek: beiden kenmerken zich door een intellectuele distantie en een ‘afkeer van het humanisme en van elke andere ideologie’ waarin Siertsema het levensgevoel herkent van Menno ter Braak.
Tot de kampfenomenen waar Botke naar verhouding uitvoerig over schrijft, behoort het homoseksuele misbruik van jongens en mannen door kapo’s. In het verhaal ‘De teleurgestelde minnaar’ weigert een jonge gevangene te zwichten voor de avances van een zekere Eddy. Zijn weigering kost hem tenslotte het leven.
Botke bewondert de noblesse van de jonge gevangene, zonder overigens te moraliseren over de grotere meegaandheid van anderen. Wie ooit weer thuis wou komen, moest zien te overleven. Dat lukte niet als je kieskeurig was. Intussen stelde Botke zelf wel grenzen. Aan een opdracht om het goud uit de gebitten van de doden te halen wist hij zich te onttrekken met een quasi-wetenschappelijk verhaal: de schaarse kronen die hij in de gebitten had aangetroffen, waren zogenaamd niet van goud, maar van waardeloos Ersatz-materiaal. Het was een uitvlucht, die meteen wantrouwen wekte. Botke voorvoelde dat hij er een volgende keer niet mee weg zou komen. Voor hem kwamen de Russen net op tijd.

De oude Pool (uit Het revier, 1978)
's Avonds na het appel was er spreekuur. Dan stroomde het revier vol. In bijna alle gevallen was het enige geneesmiddel: betere voeding. Maar het was ook het enige waarin zeker niet voorzien kon worden. Dysenterie en tuberculose kwamen het meest voor. Eigenlijk kon alleen aan wonden iets worden gedaan; deze werden ontsmet en met verbandpapier omwonden. Meer viel er ook niet te doen. Medicamenten ontbraken.

Een kleine Pool kwam binnen. Witte haren, een goed gesneden gezicht waarover de uitdrukking lag van een stille berusting. Hij zag er zo oud en zo broos uit dat we vreesden dat hij uit elkaar zou vallen. Zijn sleutelbeen was gebroken: Stephan [een Kapo] had zich verveeld en een practical joke bedacht. Op een half-open deur had hij een pot neergezet. Toen de kleine Pool door die deur binnenging kreeg hij de pot op zijn schouder. Henri [een andere dokter] had de breuk vastgesteld.
De Pool voelde weinig van de pijn. Wij vertelden hem dat het gebroken been gezet moest worden en dat dit, bij gebrek aan verdovende middelen, wel een pijnlijke ervaring zou worden. Hij knikte begrijpend.
Zonder dat hij een geluid liet horen werd het been gezet; een verband uit gips en papier hield de schouder op zijn plaats. De oude Pool werd opgenomen in een van de acht bedden die ons hospitaal rijk was. Hij sliep meteen in, met een zucht van verlichting.
Ik bezocht hem vaak; hij had nooit pijn en klaagde nooit. Uit zijn ogen sprak zo'n ontroerende dankbaarheid voor het plotseling zo menselijk geworden bestaan dat wij afspraken alles te doen om deze patiënt bij ons te houden. Er waren echter maar acht bedden, zodat meer dan vier dagen ‘Bettruhe’ verboden was. De commandant en de ‘Lagerälteste’ gingen dat na: een hospitaal is geen ‘Ferienaufenthaltsort’.
Op al mijn vragen knikte de kleine Pool; hij glimlachte vaag, geen kracht meer over voor een gesprek. Hij hield mijn hand vast en streelde die heel langzaam.

De volgende avond bij het maaltijden kwam Kubit binnen. ‘Pole kaputt’, riep hij triomfantelijk. Wij sprongen op, hij was ingeslapen met een gelukkige glimlach op zijn oud, ingevallen gezicht.
Toen de papieren kwamen bleek hij veertig jaar te zijn.
Koffie en croissants met iets erbij

Teruggekeerd in Maastricht, bleef Botke daar een buitenbeentje. Een dandy; een libertijn. Een verstokte vrijgezel, van wie gefluisterd werd dat hij homo was. Maar was hij dat ook? Eerder een alleseter, vermoed ik. Als het maar jong en appetijtelijk was: ‘Een jongen van zestien is niet minder begeerlijk dan een meisje van die leeftijd.’
Het verhaal waaraan ik deze ontboezeming ontleen, is gesitueerd in Parijs. Het verscheen in Propria Cures van 16-10-1982; Botke was inmiddels de tachtig gepasseerd. Onder de kop ‘Hotel Sélect’ zingt hij de lof van billen, meer in het bijzonder de ivoor-blanke, prachtig gevormde billen van het beminnelijke meisje dat hem op zekere ochtend in zijn hotelkamer op Montmartre een blad met verse croissants en koffie aanbiedt - en tegelijk, als voor- of nagerecht, zichzelf. Dat laatste dringt jammer genoeg pas tot hem door als de kans verkeken is. ‘Een verzuim dat nooit meer goed te maken is (...) Een zonde, om kort te gaan. Want werkelijk zonde zijn enkel de zonden die men naliet te begaan.’ Dat laatste aforisme is Botke ten voeten uit.
Was deze aristocratische, kunstverzamelende, schrijvende bohémien ook een goede tandarts? Ik zou er niet op durven zweren. Een van zijn patiënten kon zich zestig jaar na dato zowel zijn wachtkamer als de ‘martelkamer’ nog goed voor de geest halen. Toen het moment aanbrak waarop zij, als kind van een jaar of vijf, moest plaatsnemen op de behandelstoel, brak ze in huilen uit. ‘Hij greep me bij de oren, sleepte mij de stoel uit en gooide mij zo de Bredestraat in.’

Literatuur

  • Taecke J. Botke, Het revier, Amsterdam (Erven Thomas Rap) 1978
  • Dory Kicken, ‘Taecke Botke en Pyke Koch – A gentlemen’s agreement’, in Peter Fransman, Nicolette Gast en Stijn Huijts (red.), De estafette. Kijken naar honderd jaar beeldende kunst in Limburg, Sittard (Stichting Kunsthistorisch Onderzoek en Presentatie Limburg) 2000, p. 178-192
  • Thérèse Cornips e.a., Kasteel Oost en zijn kunstenaars, Venlo (Van Spijk) 1991
  • J.J. Oversteegen, In het schuim van grauwe wolken. Het leven van Cola Debrot tot 1948, Amsterdam (Meulenhoff) 1994
  • J.J. Oversteegen, Gemunt op wederkeer. Het leven van Cola Debrot vanaf 1948, Amsterdam (Meulenhoff) 1994
  • Bettine Siertsema, Uit de diepten. Nederlandse egodocumenten over de nazi concentratiekampen, Vught (Skandalon) 2007
  • Jos Perry, ‘1940-1945. Bezetting - Bevrijding - Herinnering - Verbeelding’, in Lou Spronck, Ben van Melick en Wiel Kusters (red.), Geschiedenis van de literatuur in Limburg, Nijmegen (Vantilt/LGOG) 2016

Hier vindt u alle literatuurportretten>>