Reve in Weert

Herman van Horen, januari 2018

Pas op bladzijde 724 in de Geschiedenis van de literatuur in Limburg, als de gemiddelde lezer al royaal gevloerd ligt door de stortvloed van namen en titels, komt eindelijk, weggestopt in een voetnoot, de ‘grote volksschrijver’ Gerard Reve voorbij. Iedereen kent hem, iedereen weet dat hij iets met de ‘Grote Stad Weert’ had, maar is hij niet ook een Limburgs schrijver?

Uit de brievenboeken die Gerard Reve (1923-2006) publiceerde en uit de driedelige biografie van Nop Maas komt het beeld naar voren van een schrijver die erin slaagde met verscheidene provocerende acties een Bekende Nederlander te worden, maar die in zijn persoonlijke relaties minder succesvol was. Na jarenlange vaak haperende contacten met Willem van Albada en Henk van Manen (‘Teigetje en Woelrat’), achtereenvolgens in Amsterdam, Greonterp en Veenendaal, dienden zich in Weert nieuwe mogelijkheden aan in de persoon van Guus van Bladel. Deze ijverige Reve-verzamelaar slaagde erin om de schrijver naar Limburg te halen. Al in 1969, na afloop van een lezing voor de ‘homofielenvakbond COC’, had hij een logeerpartij geregeld ten huize van kapelaan Hendrikx. Nu stelde hij ook zijn eigen woning aan de Nieuwe Markt in Weert graag beschikbaar.

Die flatwoning werd van 1972 tot 1975 de hoofdverblijfplaats van Gerard Reve. Talrijke oude en nieuwe vrienden (‘liefdesprinsen’) kwamen daar over de vloer. Ook zijn ex-vrouw Hanny Michaelis bracht in augustus 1972 een uitgebreid bezoek maar had er in haar dagboek weinig goede woorden voor over. Ze trof er ‘een comfortabele flat aan, met een weinig riant uitzicht op een rommelig marktplein aan de voorkant’ (met door Reve witgepleisterde ramen) en ‘grauwe daken, opslagloodsen en een wanstaltige kerktoren aan de achterkant’. Reve zelf, allengs geïrriteerd door de aanwezigheid van zijn ex-vrouw, had meer respect voor de monumentale Martinuskerk, die hij regelmatig bezocht om zijn Mariaverering te voeden. Aan collega-schrijver Simon Carmiggelt meldde hij:

'In Weert ging ik maar telkens in de grote Martinuskerk een kaars ontsteken voor M., om wat te kalmeren. Zij neemt terzake homofilie een zeer gemoedelijk en welwillend standpunt in, al acht Zij het nog niet opportuun dat in het openbaar, in een visioen of verschijning, kenbaar te maken. Dat komt nog, denk ik. Zij is wel oneindig groot en lief, onze Moeder.'

Nog een fragment uit een brief aan Simon Carmiggelt:

'Vlak hier om de hoek is de vijf eeuwen oude kerk, altijd open, met een lieve Mariaschrijn. De moeder van God zit achter glas, met neonbuizen links en rechts. Vorige keer dat ik hier in Weert was, ging ik langs, en kocht een kaars en mompelde zo wat van: ‘En, mevrouwtje, wil het nog wat,’ enz. enz. met als antwoord een soort ‘Woew...woew...woew..woew..woe’, want de linker T.L.buis was stervende, en bromde daarom. Een Maria met geluidhinder en al dus.'

In een brief aan Ab Visser kwam Maria opnieuw in beeld, nu in verblindend licht:

'Ik vertrek aan de vooravond van Hemelvaartsdag in mijn bus naar Lourdes, samen met een vriend uit Weert (L.), om onze Eeuwige Moeder dank te brengen & Haar mijn probleem voor te leggen. Zij ‘moet maar zien’. Ik heb Haar nog nooit iets gevraagd, ja, toch iets, eens, maar niet aangaande mijzelf. Ik denk dat ik Haar om enig Licht vraag. Wat maakt het voor Haar uit, verheerlijkt & wel, in al die miljarden Watt of dekalumen? Een klein werkvlammetje, een pitje, een gloeilichtje. Zij is mij erg goed gezind.'

Reve bezat sinds enkele jaren een witte bestelbus van het merk Citroën, waarop hij niet weinig trots was. In een brief aan Carmiggelt beschreef hij een gesprek in de trein met een vrouw:

'Ik zit niet vaak in de trein. Ik ga meestal met mijn automobiel.’ Het scheelde weinig, of ik had gezegd: ‘Een grote, nieuwe, witte vrachtauto.’ In ieder geval verhinderde ik dat ze zou denken dat ik dagelijks per trein naar en van een baas reisde; dat ik geen rijbewijs had, dat ik geen auto bezat etc. Ik had eigenlijk willen zeggen: ‘Ik ben wel homoseksueel, maar ik rijd geweldig. Als U mij zoudt zien zitten op die hoge vrachtautobestuurdersplaats, dan zoudt U nooit geloven dat ik homoseksueel was, zulk een manlijk en stoer gezicht is het...'

Op weg naar zijn huis in aanbouw in Zuid-Frankrijk kon Reve voortaan in de bus slapen, er hing een Mariabeeldje aan de wand en ook gebruikte hij het voertuig als mobiele schrijfhut, in de uitgestrekte natuur die Weert omringt:

'Vanmorgen stond ik in Budel aan de rand van het grote Militaire Woud, waar de soldaten aan de automobieldeur komen om een handtekening. Van de één kreeg ik een ransel, van de ander een fraai militair hemd of stuk kledij, enz. Het was vroeg in de morgen, en een opzichter in een jeep hield stil. [...] Hij zegt: ‘Maar ik ken U ergens van.’ Ik: ‘Van de televisie?’ ‘Waarvan dan? Ik ken U beslist.’ ‘Ik ben een schrijver.’ (Schaamrood.) ‘Ja, van heel schandelijke boeken, hoor meneer.’ ‘Jan Cremer!?’ ‘Nee, Reve.’ ‘Oh, Reve!...'

Een spectaculair ongeluk met zijn vrachtbus overkwam hem in 1974 in Zuid-Frankrijk, als gevolg van een roekeloze inhaalmanoeuvre van een tegenligger. Als medewerker van het Weerter huis-aan-huis-blad Op de Keper deed Reve zelf verslag:

'Hoewel zijn automobiel en de inrichting ervan vrijwel volledig werden vernield, bleven de heer Gerard Reve en zijn mede-inzittende [...] geheel ongedeerd. De wagen kwam rechtop tot stilstand; het enige gedeelte van de inrichting, dat onbeschadigd bleek, was een Mariaschrein met porseleinen Madonna, waarvoor het devootsielampje rustig was blijven voortbranden.'
‘Het kan niet anders, of Zij moet vroeger in een circus hebben gewerkt,’ gaf de heer Reve ons in een telefoongesprek met de redaksie te kennen, ‘of we moeten van een wonder spreken.

Onbetwist hoogtepunt van het verblijf in Weert was zijn benoeming tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Er vond een huldiging plaats op het bordes van het stadhuis. Aan Carmiggelt bracht hij verslag uit:

'Het was net een Franse film. Ik gevoelde mij wel verlegen en lullig, maar niet zoals vroeger: er was in mijn hart ook iets als geluk, ik weet niet hoe ik het moet zeggen, en of het kwaad kan, maar ik denk van niet.
Des namiddags hield ik hier een receptie, door honderden mensen bezocht, en op het plein kwam de harmonie voor de deur, en ik moest naar buiten komen en onder het vaandel staan. Alles, het leven, hoe heet het, is groter dan jezelf, en dat is maar goed ook. Maar ik kon me overgeven, en warempel ook nog een mooi en ontroerend en ongekunsteld dankwoord spreken. Bijna gehuild, weet je dat, maar net nog niet.'

Al liet hij zich nogal eens laatdunkend uit over Weert, Gerard Reve was er wel ongelooflijk productief. Niet alleen verschenen in die periode zijn omstreden liefdesromans De taal der liefde, Lieve jongens, Het lieve leven en Ik had hem lief, maar ook schreef hij talrijke brieven en een aantal schitterende redevoeringen. Ook kwamen in Weert veel gedichten tot stand, waarvan het volgende zelfs de meest geharde tegenstanders kon overtuigen: 

ROEPING

(voor de Zusters van Liefde, te Weert)
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
voor dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet savonds reeds zijn smoel op de teevee.
Toch goed dat er een God is.

 

Literatuur

  • Reve in de DBNL
  • Bert Boelaars, Koninklijke Jaren (Utrecht 2002), over de Weerter periode van Gerard Reve
  • Via Weert tot Reve / Via Reve tot Weert. Een literaire stadswandeling door Weert, samengesteld door Herman van Horen (Weert, 2016)
  • zie ook: http://www.museumweert.nl
  • recent verschenen: Rudy Kousbroek Seks, natuurlijk, maar vooral orde. Brieven aan Gerard Reve, Amsterdam 2017


Foto’s: W. Linders (Collectie Gemeentearchief Weert)