Frans Erens en Limburg

Emile Ramakers, maart 2018

In 1912 verscheen in het tijdschrift De Nieuwe Gids het satirische verhaal ‘De burgemeester. Proeve eener ernstige karakteristiek’ door een zekere Richard Savels. In een niet nader genoemde kleine gemeente speelt zich een beschamend conflict af tussen raadsleden en burgervader.
Achter het pseudoniem Richard Savels schuilt een van Limburgs meest succesvolle auteurs ooit: Frans Erens. Tot op de dag vandaag werden zijn verhalen, beschouwingen en herinneringen keer op keer uitgegeven, maar het duurde tot 2017 dat ‘De burgemeester’ weer het daglicht zag, in een door Jean Frins bezorgde verzameling van niet eerder gebundelde verhalen, onder de titel De Burgemeester.
Dat het naamloze stadje Erens’ geboorteplaats Schaesberg in Zuidoost-Limburg was, is vrijwel zeker, maar wie was de potentaat ‘Smiecht van der Ganf’ (zoals de burgemeester in het verhaal heet) en welke historische gebeurtenissen schuilen er achter het verhaal over vriendjespolitiek? Een en ander wacht nog op gedegen archiefonderzoek.

De man met de koffers

Frans Erens werd als zoon van een rijke rentenier geboren in 1857 in huize De Kamp in Schaesberg, in de zuidoosthoek van Limburg waar de voertaal het dialect was, de ‘nette’ en kerkelijke taal het Duits, en de cultuurtaal het Frans. François, of ‘Fränzchen’, zoals Frans toen heette, sprak een onvolkomen Nederlands, gemengd met Limburgismen en germanismen. Later - toen hij al in die hem altijd wat vreemd gebleven taal volop publiceerde - schreef Erens vaker over de beperktheid van het Nederlands om grootse gedachten in uit te drukken, en hij was stellig van mening dat zijn meertalige achtergrond hem een voorsprong had gegeven op zijn schrijvende collega’s.
Frans Erens doorliep het gymnasium van Rolduc, ging rechten studeren in Leiden, woonde daar op verschillende adressen, vertrok voortijdig om zich in te schrijven aan de universiteit van Bonn, verliet ook Bonn en vestigde zich in 1881 in Parijs, waar hij colleges rechten volgde maar zich vooral ophield in kringen van schrijvers als Maurice Barrès, Victor Hugo, Alphons Daudet en Conrad Busken Huet. Hij stuurde zijn ‘Berichten’ uit de Parijse studentenwereld naar het Leidse studentenblad Minerva; geleidelijk aan kwamen daar ook besprekingen bij van de romans en dichtbundels van de nieuwe lichting Franse auteurs.
In 1883 was de rusteloos verhuizende Erens terug in Nederland. Hij studeerde opnieuw rechten, nu aan de universiteit van Amsterdam en ook daar begaf hij zich in het culturele circuit. Een vriend voor het leven werd Karel Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel). In hetzelfde jaar begon hij te schrijven voor het jonge, progressieve weekblad De Amsterdammer en in 1884 liet hij daarin Nederland kennismaken met de baanbrekende dichtbundel Les Fleurs du mal van Charles Baudelaire. In 1885 schaarde hij zich bij Nederlands literaire voorhoede rond het in dat jaar opgerichte tijdschrift De Nieuwe Gids, de spreekbuis van de Beweging van Tachtig. Hij ging deel uit maken van de redactie en zou dat (met een onderbreking van twaalf jaar) tot zijn dood in 1935 volhouden. Zelf leverde hij vele bijdragen aan het blad: prozagedichten, prozaschetsen, boekbesprekingen, beschouwingen, vertalingen, reisverslagen. Hij verbleef regelmatig in het buitenland en deed verslag van internationale ontwikkelingen als het symbolisme en decadentisme. Hij hield niet veel tijd over voor zijn studie, maar promoveerde toch in 1888 en ging aan het werk als jurist. Lang zou hij dat niet volhouden. Na zijn afscheid van de advocatuur verbleef hij nóg vaker in het buitenland en wijdde zich nog uitsluitend aan de literatuur.

Over Limburg

Dat Frans Erens zijn fijnzinnige, bijna maniëristische pen ook in azijn kon dopen, bleek toen in 1890 in De Nieuwe Gids ‘De Conferentie’ verscheen, een zich in ‘Schaesheuvel bij Heerlen’ afspelende, venijnige beschrijving van een rijkelijk met drank overgoten bijeenkomst van roomse geestelijken. In Limburg veroorzaakte het verhaal dermate beroering dat Erens het niet opnam in zijn verzamelbundel Dansen en rhytmen uit 1893. De tweede druk van die bundel uit 1924 bevatte ‘De Conferentie’ wel.
Het ouderlijk huis De Kamp was intussen een rustpunt voor Erens en hij haalde regelmatig zijn inspiratie uit de omgeving. In 1892 verscheen in De Nieuwe Gids ‘Berbke’, een felkritisch en sociaal bewogen vertelling over een uitgestoten armeluiskind, dat zwervend aan de uiterste oostrand van Zuid-Limburg aan de kost probeert te komen, tot een eenzame dood in de berm haar verlost van haar aardse ongerief.
Geleidelijk kregen Erens’ geboortestreek en katholieke achtergrond een belangrijke rol in zijn geschriften. Hij was gefascineerd door de rijke geschiedenis van de regio, schreef over de kunst en de letteren daar, maar vooral over het katholicisme en zijn heiligen. In 1901 begon hij, aanvankelijk als liefhebberij, de Confessiones van Augustinus te vertalen, later publiceerde hij ook vertalingen van Jan Ruusbroec en Thomas à Kempis, middeleeuwse religieuze denkers die in het Maasland van oudsher veel gelezen en nagevolgd werden. Zijn Limburgerschap en meertalige opvoeding bleven hem bezighouden, zoals blijkt uit essays als ‘Een Limburger over de Nederlandsche litteratuur’ (De Gemeenschap 1930) en ‘Grondtonen’ (De Maasbode 1937).
In 1927 verhuisde Erens naar zijn laatste adres in Houthem Sint-Gerlach. Daar begon hij in verschillende (dag)bladen zijn memoires te publiceren, vanaf 1931 verscheen in De Maasbode in afleveringen zijn levensverhaal ‘Vervlogene jaren’. Die reeks werd na zijn overlijden in 1935 de basis voor zijn herhaaldelijk heruitgegeven memoires, elke keer in een andere editie, onder de titel Vervlogen jaren. In de bundel Over Limburg uit 1985 zijn de reeds in boekvorm verschenen vertellingen en beschouwingen met betrekking tot Limburg verzameld.

Een burgemeester

In al deze heruitgaves ontbreekt ‘De burgemeester’ uit 1912. Erens zelf en ook zijn latere editeurs lijken het verhaal te mijden. Weliswaar ontdekte Pierre van Valkenhoff (P.H.J. Vermeeren) dat achter het pseudoniem Richard Savels wel degelijk Frans Erens stak, maar hij nam het verhaal niet op in zijn verzameling van ongebundeld en nagelaten werk Suggesties: Critieken, invallen en verbeeldingen (1940). Harry G.M. Prick opperde in zijn inleiding bij Over Limburg dat Sophie Erens-Bouvy, de weduwe van Erens, toen wellicht haar veto had uitgesproken, en misschien had Erens zelf twijfels gehad over ‘de, voor zijn doen, volstrekt ongewone lichte toets van dit verhaal, dat zelfs op een aantal plaatsen geforceerd-luchtig aandoet’, aldus Prick.
Hoe het ook zij, ‘De burgemeester’ biedt tal van uitdagingen om op zoek te gaan naar de achtergronden van de vertelling. Erens woonde in 1912 in Schaesberg. Uit de archieven blijkt dat er op dat moment een conflict speelde tussen raad en burgemeester. Erens’ moeder overleed in september, in oktober verscheen het verhaal in De Nieuwe Gids, en in december verliet Erens huize De Kamp om er nooit meer terug te keren.
Over de kwestie is het laatste woord nog niet gezegd. Frans Erens blijft letterkundigen en lezers boeien, zeker als het gaat om inkijkjes in de Limburgse samenleving van een eeuw geleden.

Literatuur

  • onder het lemma Frans Erens bij de DBNL is het merendeel van het oeuvre in te zien
  • De Conferentie’, ‘Berbke’ en ‘Grondtonen’ in: Frans Erens, Over Limburg. Eds. Harry G.M. Prick, Lou Spronck en Jan Notten, Nuth 1985
  • Een Limburger over de Nederlandsche litteratuur’ in: De Gemeenschap nr. 6, 1930
  • De Burgemeester; bloemlezing van ongebundeld gebleven teksten uit De Nieuwe Gids van Frans Erens. Samenstelling Jean Frins, Os Moddersproak 2017, is te bestellen bij de uitgever. Een interview met Jean Frins over De Burgemeester in Dagblad de Limburger vindt u hier.

Hier vindt u alle Literatuurportretten >>