‘Een magistraat treedt uit zijn comfortzone.’ Over het literaire debuut van Edmond Nicolas (1902 – 1976)

Herman van Horen, maart 2026

Als leerling op Rolduc volgde ik in de late jaren vijftig vlijtig de aankoopadviezen van mijn leraar Nederlands. Hij maakte geregeld reclame voor de nieuwe pocketboeken van uitgeverij Het Spectrum, de zogenoemde Prismapockets. Voor 1,25 gulden had je er al een, acht voor een tientje, tel uit je winst.
Het ging om een bonte verzameling van Nederlandse én buitenlandse komaf, meestal heruitgaven, over de meest uiteenlopende onderwerpen. Erg enthousiast was hij over de boeken van Edmond Nicolas, drie romans die voor het eerst verschenen in deze serie en ongekend hoge verkoopcijfers haalden. Mijn leraar stemde van harte in met de typering op de achterflap: ‘Edmond Nicolas is een geboren Limburger, hetgeen ge aan zijn plezierige verteltrant en zijn humor ook wel kunt merken. Hij kent en waardeert de geneugten van een geestige conversatie, een goede keuken en een goed glas wijn.’
Ik heb ze gekocht en verslonden, deze drie romans van de uit Roermond afkomstige Edmond Nicolas: De Heer van Jericho (1946), Brocaat & Boerenbont (1949) en De Erfenis (1955). De eerste beleefde zeker elf drukken. Ze staan nog steeds in mijn boekenkast, en behalve dat ze nogal muf ruiken ben ik intussen ook allergisch voor deze manier van vertellen: oubollige kasteelverhalen met karikaturen in de hoofdrol, ouderwets omslachtig van stijl, met een uitermate belegen inhoud.

In de Geschiedenis van de Literatuur in Limburg noemt Ben van Melick de veelgelezen prismaboekjes alleen en gaat kort, met grote welwillendheid, in op zijn debuut De president uit 1939:
‘Een psychologisch portret van een man van stand, rechtbankpresident, alleenstaand, die min of meer ondanks zichzelf opnieuw in de positie van opvoeder geraakt, combineert diepte met een trefzekere verteltrant. De droge vertelstijl houdt het verhaal ook nu nog fris.’

De achtergrond

Edmond Nicolas werd geboren in 1902 als vijfde kind in de glazeniersfamilie Nicolas, die in de jaren dertig een belangrijke rol speelde in het culturele leven van Roermond. Zijn broer Joep was landelijk bekend als schilder en glazenier, ook zijn vrouw, de beeldhouwster Suzanne Nys, bewoog zich met gemak in vooraanstaande culturele kringen. Bekende schrijvers en kunstenaars als J. C. Bloem, A. Roland Holst en Gisèle van Waterschoot van der Gracht kwamen er geregeld over de vloer. De Engelse schrijver Aldous Huxley, wereldberoemd met zijn toekomstroman Brave new World (1932), was getrouwd met een zus van Suzanne. Joep maakte talrijke illustraties onder meer voor De gemeenschap, een katholiek literair tijdschrift dat een belangrijke rol speelde in de sterk verzuilde Nederlandse literatuur van het interbellum.
Net als Joep was ook de jongere Edmond van jongs af aan dol op schilderen, maar hij werd geen schilder. Na de HBS in Roermond studeerde hij scheikunde in Leiden en werkte daarna als biochemicus bij allerlei bedrijven. Een tijdlang bij een dakpannenfabriek in Echt, later als researchleider bij Roxane in Olst, producent van insuline en andere geneesmiddelen. Diverse verhuizingen met zijn groeiende gezin waren het gevolg. Toch kon hij broer Joep, die al beroemd was, nog helpen bij een prestigieuze opdracht: hij maakte decoratieschetsen voor het eersteklas-restaurant van de Nieuw-Amsterdam, het nieuwe vlaggenschip van de Holland Amerika Lijn.
Dat hij over tekentalent beschikte was duidelijk maar kon hij ook goed schrijven?

Het geboortehuis van Edmond Nicolas, Lindanusstraat 12 Roermond
Het geboortehuis van Edmond Nicolas, Lindanusstraat 12 Roermond

De President

Zijn debuut, het omvangrijke verhaal De President, met zijn 16 hoofdstukjes bijna een roman, verscheen gedeeltelijk als feuilleton in het tijdschrift De Bundel en biedt een eerste inkijk in zijn schrijftalent. Samen met drie korte verhalen, Het blauwe boek, De antichrist is geboren en God is getrouw werd het in 1939 als boek uitgegeven bij Het Spectrum, met als verzameltitel De President.

De hoofdpersoon, de president van de rechtbank, is een notabele man die zich na de dood van zijn vrouw erg eenzaam voelt. Hij is met pensioen en heeft al zijn eerdere functies neergelegd: het leven is zinloos, niets interesseert hem nog echt. Op een van zijn dagelijkse avondwandelingen door de stad ontmoet hij een bedelaar die hem een aalmoes vraagt ‘ter liefde Gods’. Wanneer de president hem een royaal bankbiljet geeft meent hij te zien dat de man een stigma heeft in zijn hand. Daardoor nieuwsgierig geworden gaat de president daags daarna te rade bij de commissaris van politie: wie was die bedelaar? De president wordt daardoor aan het denken gezet over zijn eigen leven en het katholieke geloof. Dat leidt tot gewetensonderzoek: heeft hij wel echt geleefd? Of moet hij misschien nog een taak vervullen?

'Ondertusschen ging een wereld open waar de menschen slechts kleine, onbelangrijke dingen zijn, getrokken door twee polen: het goede en het slechte. Geen der menschen is geheel goed, geen ook geheel slecht. Maar de polen waartusschen die kleine zielen zwerven, zijn geheel goed en geheel slecht.’

Nadere kennismaking met de bedelaar -zilversmid van beroep- leert hem dat deze een open, onbedorven geest heeft: het geld van zijn aalmoes deelt hij met Nella, slachtoffer van huwelijksgeweld en moeder van Barend.
Als de president weer thuis is wil hij meteen een daad stellen en pakt de studie van Thomas van Aquino op. Al die ongelezen delen van de vermaarde theologie-reus staan al jaren in de kast. Maar hij komt tot een praktische oplossing: hij adopteert de kleine Barend!
Barend en zijn moeder komen bij hem in huis. De omgang met het kind gaat vanzelf, het vaderschap gaat hem goed af, maar contact met de indolente Nella is moeilijker. De president moet haar overtuigen van zijn belangeloosheid. Gaandeweg wordt ze minder terughoudend. Ze gaan samen naar de bioscoop en bezoeken een dansavond, waar zij met diverse jonge ‘cavaliers’ danst. Dat baart natuurlijk opzien!
In zijn sociëteit wordt flink gekletst, de president wordt verdacht: een maîtresse en een onecht kind! Als de kortademige deken van de stad op bezoek komt probeert de president zijn gedrag uit te leggen. Zonder succes, de deken heeft andere ideeën over plicht: weldoen is plicht, maar je moet niet overdrijven! Zijn dringende advies is: stuur die vrouw weg!
Het verhaal eindigt met een meerdaags bezoek aan een klooster waar de president leert dat je lak mag hebben aan de mening van je stadgenoten zolang je handelt ‘ter liefde Gods’. Intussen is Nella tijdens zijn afwezigheid met een vreemde koopman aan de haal gegaan. Thuisgekomen wordt de oude man door zijn stadgenoten anders bekeken: met medelijden. Maar hij beseft: ‘Ik ben nu niet meer zo ellendig volmaakt.’ En hij blijft zijn bekende wandelingen door de stad maken, nu met de kleine Barend.

De President

Ontvangst

Voor hedendaagse lezers komt de psychologiserende beeldvorming waarmee Nicolas de wereld van de bourgeoisie neerzet nogal gechargeerd over. De omgang van de zeer notabele president met zijn personeelsleden en enkele stadsbewoners is ronduit karikaturaal. Of lieden van zijn stand ook Thomas van Aquino raadpleegden voor praktische levenslessen is zeer de vraag. De beschrijving van de Sociëteit, waar flink geroddeld werd over deze ‘amour fou’, en het kille advies van de amechtige deken zullen zeker bijgedragen hebben aan de sympathie van de toenmalige lezers voor deze dappere president, die de harten wist te stelen met de keuze voor zijn pleegkind.

Destijds vond het boek niet veel weerklank in de literaire wereld, op een enkele vermelding in Limburgse kranten na. De eerste bespreking komt van de Vlaamse jezuïet L. Monden in het tijdschrift Streven, jaargang 7, 1939. Hij treft in deze verhalen ‘een bijna saaie degelijkheid aan, zonder breede horizont, een kleine, beperkte ruimte, keurig en sober maar een beetje stijf gemeubileerd, waarin men zich al gauw bekneld en ongemakkelijk gaat voelen.’ De stijl van Nicolas doet hem denken aan die van Van Schendel en Helman. In plaats van een charismatisch christendom (zoals in het tijdschrift Roeping) bespeurt hij vooral aandacht voor de randverschijnselen daarvan: een soort religieuze sensatie die soms uitmondt in parapsychologische griezelverhalen.
Toch eindigt zijn bespreking positief: ‘Dit alles neemt niet weg dat dit boek ver uitgaat boven het gewone, en dat we de lezing ervan aan volwassenen ten zeerste mogen aanbevelen. De tekorten van dit werk moesten juist scherp en duidelijk worden aangegeven, omdat het door zijn meer dan gewone waarde van betekenis kan blijken voor de zoo broodnodige vernieuwing in onze Nederlandsche katholieke literatuur.’ Het voorbehoud ‘voor volwassenen’ tekent de bezorgdheid van deze jezuïet voor de katholieke moraal van zijn lezers.

Heel anders reageert Albert Helman. Deze gezaghebbende recensent maakte er gehakt van in Criterium, destijds een gezien literair tijdschrift onder redactie van Dirk Coster. Helman was een productief romanschrijver met een voorkeur voor historische romans met een politieke ondertoon. Als criticus stelde hij vooral de invloed van de verzuiling in de Nederlandse literatuur aan de kaak. Nicolas’ debuut biedt hem de mogelijkheid uit te halen naar de bekrompen katholieke wereld. Hij eindigt zijn bespreking aldus:
‘Stuitend en ontmoedigend voor de gelovigen, belachelijk en walgingwekkend voor de onkerkelijken, teren zij op het etiket van religieuze jongeren, dat zij geheel ten onrechte dragen, omdat op een naargeestig en dom schrijver geen enkel etiket, maar slechts de zerk der volstrekte vergetelheid past.’ (Critisch Bulletin,1939)

Tijdschrift De Bundel

De felle kritiek van Helman zal zeker ook zijn ingegeven door de kwalijke faam van het tijdschrift De Bundel, waarin Nicolas’ verhalen eerder als feuilleton verschenen. Dit tijdschrift, met de ondertitel Nationaal Cultureel Maandblad, dat in zijn eerste en enige jaargang elf afleveringen telde, was een voortzetting van De Nieuwe Gemeenschap, dat op zijn beurt afgesplitst was van De Gemeenschap. Meningsverschillen tussen redactieleden over de politieke koers van hun blad leidden in deze fase van het Interbellum regelmatig tot conflicten. Felle polemieken van redacteuren als Anton van Duinkerken in De Gemeenschap zorgden voor kabaal, terwijl Albert Kuyle, een tijdlang gangmaker van hetzelfde blad, geleidelijk maar steeds duidelijker een fascistische koers voer.

Op 24 juni 1937 verscheen het eerste nummer van De Bundel onder redactie van Henk Kuitenbrouwer (broer van Kuyle) en hier treffen we voor het eerst Ir. Edmond Nicolas aan. Zijn bijdrage De dodende runen, in feite zijn debuut in de Nederlandse literatuur, is een nogal fantastisch verhaal waarin het geloof in de voorspellende betekenis van runen, als archeologische vondst, centraal staat.
Vanaf nummer vijf wordt zijn politieke overtuiging zichtbaar: hij laat zich daar nogal smalend uit over het feit dat Anton van Duinkerken, de belangrijkste woordvoerder van de tegenpartij, een eredoctoraat heeft gekregen aan de (katholieke) universiteit van Leuven.
In nummer 6 krijgt zijn bijdrage een duidelijke ideologische tint, als hij in een stuk met de titel ‘Enige waarheden voor den heer Ter Braak en zijn bewuste en onbewuste geestverwanten’ reageert op de vinnige kritiek van Ter Braak op de Bundelredactie. Nicolas’ slotzin luidt: ‘En dat gij, heer Menno, het Vaderland versiert met uw braaksel over ons, is een bewijs dat onze prikkeltherapie werkelijk geïndiceerd is.’

Het eerste hoofdstuk van De President verschijnt in nummer 7. Het laatste nummer van De Bundel, nr 11, bevat naast hoofdstuk 6 van De president ook Nicolas’ laatste bijdrage, in de vorm van een ingezonden brief aan de lezers van de Maasbode, destijds een gezaghebbend R.K-dagblad. Hierin reageert hij op een bericht in die krant als zou het verhaal De President voortijdig ophouden. Niets is minder waar, schrijft hij, maar ‘hoewel ik slechts schrijf in de tijd die overblijft als ik twee fabrieken en één gezin verzorgd heb’ belooft hij zijn lezers tot het echte einde door te gaan. Toch kwam met nummer 11 wel een einde aan het korte bestaan van het tijdschrift De Bundel en moesten trouwe lezers wachten op de boekuitgave.

Hoe ging het verder met het schrijverschap van Edmond Nicolas?

Hij werd lid van de Culturele Kamer van Nationaal Front, een fascistische organisatie die ondanks de sympathie voor het nationaal-socialistische gedachtegoed op last van de Duitse bezetter in 1941 werd opgeheven. Dat leverde hem een tijdelijk publicatieverbod op. Voortaan legde hij zich vooral toe op het schrijven van populair-wetenschappelijk werk. Nog in 1941 verscheen Verstandig en Gezond, bij uitgeverij Het Spectrum. Ook begon hij tijdens de oorlogsjaren al aan een tweede start in de literatuur, met de roman De Heer van Jericho, die in 1946 zou verschijnen. Die zette hem als schrijver voorgoed op de kaart.

Foto van Edmond Nicolas op de achterflap van de prismapockets omstreeks 1950.

In het naoorlogse literaire klimaat kon uitgeverij Het Spectrum ondanks de papierschaarste redelijk functioneren, vooral ook omdat deze uitgever met voorrang het katholieke volksdeel van goedkope en verantwoorde lectuur wilde voorzien. Sleutelwoorden: goedkoop, populair-wetenschappelijk en geschikt voor katholieke lezers.
Het Spectrum, dat ook het boekenfonds van het toonaangevende tijdschrift De Gemeenschap had overgenomen, hield tot ver in de jaren 50 een uitgesproken katholieke signatuur, met instemming van het episcopaat dat in die jaren nog streng toezicht hield op de leesgewoontes van katholiek Nederland.

Vanuit deze voorgeschiedenis is gemakkelijk te begrijpen waarom de nieuwe prismapockets op veel enthousiasme konden rekenen, ook bij mijn leraar Nederlands. De streekromans van Edmond Nicolas in het goedkope jasje van de prismapockets bleken een schot in de roos. De Heer van Jericho werd het grootste succes, met meer dan honderdduizend verkochte exemplaren en zelfs een Duitse vertaling. Ook de vervolgdelen Brocaat en boerenbont (1949) en De Erfenis (1956) haalden hoge oplages.
Die successen zorgden ervoor dat hij een veelgevraagd spreker en causeur werd op feesten en congressen. Zijn belangstelling voor gezonde voeding leidde er ook toe dat Nicolas hobbykok werd, wat hem jaren later nog goed van pas zou komen: hij kreeg in de jaren vijftig bekendheid als de eerste televisiekok van Nederland.
Na zijn dood in 1976 begon voor Edmond Nicolas de vergetelheid, die Helman al in 1939 verhoopte.

Literatuur

Alle genoemde werken van Edmond Nicolas zijn te vinden in de DBNL.
Voor de naoorlogse geschiedenis van Het Spectrum zie:
Sandra van Voorst, ‘Van censuur naar gedeelde verantwoordelijkheid. Uitgeverij het Spectrum en de katholieke boekenwet.’ In: Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis. Jaargang 10 (2003)
Voor de houding van Edmond Nicolas tijdens de oorlog zie:
Hein van der Bruggen, Aspecten van Joods leven in Roermond en Midden-Limburg. Hilversum 2021

Meer literatuurportretten lezen? Klik dan hier.