Pé Hawinkels

Ben van Melick, september 2017


Pé Hawinkels werd op 29 september 1942 geboren in een Hoensbroeks mijnwerkersgezin en stierf op 16 augustus 1977 te Nijmegen, zittend aan zijn bureau boven een te vertalen tekst. P.H.H.H., zoals hij zichzelf placht aan te duiden, was een uitzonderlijk begaafd schrijver. De dichtbundel Bosch & Bruegel (1968) is daarvan een bewijs. In een duizelingwekkende mix van stijlregisters en stijlfiguren brengt de dichter niet alleen het werk van deze middeleeuwers in versregels tot leven maar situeert hij het ook in de moderne tijd. Zo wordt de strijd tussen licht en duisternis, hemel en hel, verstand en dwaasheid, tijd en eeuwigheid van alle tijden; de mens schiet in alle opzichten te kort:

De halfnaakte staat centraal. 
Zijn tepels zijn gesloten, blind, maar uit
Zijn zij, uit de verhevigde, negatieve tepels
In rug & palm zijner handen (handen
Als rudimentaire vlerken, duivevleugels aan
Een casuarislijf) vloeit het wel, - zonder,
Onder ons gesproken, veel kans van slagen tegen
De potentaat, het ijzig blauw in donkere tuniek,
Dat zitting houdt om hem heen, en, massief
& Zelfbewust ijskoud inwerkt tot op
Het sjofele lichaam van de halfnaakte,
Mede diens blik bepaalt, - en die, hoofdzakelijk
Een cantate van kaneel, bepaalt op zijn beurt weer
De serene melancholie van diens expressie,
Die weet het met zichzelf alleen
Niet te kunnen redden.

Hawinkels’ poëzie

In de bundel Het uiterlijk van de Rolling Stones (1969) roept Hawinkels een demonische wereld op in heftige beelden (‘Sympathy for the devil’ dringt zich bij de lezer op). In de gelijknamige cyclus, een ‘lyrisch-episch gedicht’, herkennen we trekken van de Rolling Stones in de titels van de afdelingen:

De hysterie der aartsengelen / De zwarte markies met suikerziekte / De grote kikkerkoning / De perverse page met het rechte ruggetje / De zwaargelipte, lomp gracieuze, die in de brekende ogen van de door de zwarte dood geteisterde feestelingen vleugels krijgt

In een straatrevolutionaire (‘Street Fighting Man’) setting krijgt het personage de trekken van een Verlosser, maar niet helemaal:

[…] De jonge held 
Kon niemand doden: daarvoor was hij
Te bezorgd om zijn eigen lichaam.
Een zachte shawl scheidde zijn hoofd
Van zijn borst, zijn hoofdhaar bood plaats
Aan een nest zwarte zwanen, en
De krijgshaftige bewegingen van zijn bekken
Waren sensueel, als was hij een aap
In ballingschap, die op de maanlichtovergoten
Markt van Oelan Bator liefdesdansen
Uitvoert voor zijn cipiers.

Maar Hawinkels’ poëzie bestaat niet alleen uit woord- en beeldgewemel, ook eenvoudige poëtische observaties dringen in zijn gedichten door. De ‘Haydn-gedichten’ uit dezelfde bundel tonen dat overtuigend aan:

De stilte, die er schuilt
in de okseltjes waar berkeblad zich met de twijg
mee kon verbonden weten, zou ik rond je ogen willen zien,
nu de juiste zon als een rosse kat de kamer door
glijdt, en mijn binnenste verrast maar teder
de vormen aanneemt van dit lied
Luister….

En veel van zijn niet gebundelde gedichten zijn van een onbarmhartige eenvoud, zoals ‘Een notitie’ uit 1964.

In de bus zat ik naast een jongen
van een jaar of veertien. Vol plezier
keek hij me aan en zei:
Ik heb niet betaald. Ik knikte
hem toe, en hij zag hoe ik lachte.

Mij beving toen de felle wanhoop, die
als stille weemoed tevreden is: ik besefte
dat ik dit nooit zou kunnen beschrijven,
en niemand anders dit ervaren zou dan ik.

Die laatste twee regels impliceren de onmogelijkheid van een schrijverschap en het fiasco van wezenlijke communicatie tussen mensen. Het fatale besef: de kunst is niet bij machte het menselijk tekort op te heffen. Blikseminslag bij een dichter.
Eind jaren zestig lijkt Hawinkels uitgedicht, mogelijk moegestreden tegen het besef het onmogelijke te betrachten. In de jaren zeventig verschijnt nog slechts een enkel gedicht, wel schrijft hij nog songteksten en liturgische liederen, en verspreid wat proza. En hij vertaalt tegen de klippen op. Er moest brood op de plank.

Het kruis zal bloeien als een roos,
en niemand raakt verloren in de nacht.
En wie met open oren voor het leven koos,
die geeft het woord een nieuwe kracht
en luister
.

Wrang is deze liedtekst uit 1970, zeker tegen de achtergrond van zijn korte leven en abrupte dood. Hawinkels’ liedteksten voor Herman Brood getuigen van eenzelfde maar anders gestemde hopeloze verwachting, vergelijk de laatste strofe van ‘Prisoners’ uit 1978, het jaar van zijn dood.

find yourself a jail
only prisoners can sing
find yourself a crutch
only crippled ones can swing

Intellectuele wervelwind

Al op het Heerlense Bernardinuscollege schreef Pé naast poëzie ‘stukjes’. Als student aan de Radboud Universiteit - klassieke talen en Nederlands, studies die hij niet afmaakte, druk als hij was met schrijven en publiceren in literaire bladen als Raam en studentenbladen als NUB (Nijmeegs Universiteitsblad) - en later als broodschrijver, zette hij het ‘kritische’ schrijven tot aan zijn dood voort in vooral columns, recensies / besprekingen en vertelsels. Vertalen werd op den duur zijn hoofdwerkzaamheid.
Vrijwel alles wat hij schreef trok sterk de aandacht, eerst in het Nijmeegse milieu, later ook landelijk: door zijn radicale stellingnames, provocatieve speelsheid, door de virtuositeit in de bewoording en door zijn eigengereide levenswijze. De eeuwige student/dichter/schrijver leidde een turbulent leven. In ‘een kort maar bewogen bestaan’ gaf hij zich over aan de vrijheid en het genot maar ook aan de ‘ijdele’ verwachting die the changing times hem boden: drugs, rock & freedom of speech, tot aan de uitputting toe, tot lichaam en geest het begaven in dezelfde week dat Elvis Presley stierf.
Schrijven was voor hem ‘a way of living’ waarin het aankomt op intensiteit en werking, op samenspel met de lezer, zoals in de nieuwe jazz en rock. Daarmee is hij in de Nederlandse literatuur, naast Ewald Vanvugt en Hans Verhagen, de intellectuele wervelwind die de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig representeert; zijn columns gebloemleesd in Ik hau van Holland (1970) geven een hilarisch beeld van de tijd.
P.H.H.H. was een kritische geest, die de traditionele genregrenzen pesterig doorbrak en artistieke tradities met plezier schond: hij schreef zowel voor Brood als voor de Willibrordstichting, vertaalde Thomas Mann, Nietzsche en bijbelteksten; hij recenseerde de muziek van The Beatles even serieus als die van John Coltrane en Joseph Haydn. Die recensies, pagina’s lange, hyper-erudiete en geëngageerde beschouwingen kun je lezen als zijn poëtica. Literatuur / kunst was de transcendente zingeving van een bestaan; alleen die literatuur die daarin slaagde, deed ertoe.
En daarin schuilt de actualiteit van dit schrijverschap. Pé Hawinkels is een vrije en onafhankelijke schrijverspersoonlijkheid, die vele gezichten vertoont, grenzen verlegt en verankerd is in de maatschappelijke en cultuurhistorische mores van de tijd waarin hij schrijft. Hij is een product van een tijd waar hij zich ook tegen verzet. Schrijven is een complexe activiteit.

Literatuur

De Verzamelde gedichten (Nijmegen De Stiel 1988) zijn voorbeeldig uitgegeven. Moet dit een wereldbeeld verbeelden? (Nijmegen SUN 1979) covert persoonlijkheid en werk op ongeëvenaarde wijze. Een autobiografische pastiche op zijn jongensjaren in Hoensbroek biedt Autobiografische flitsen en fratsen (Amsterdam 1969). Een zeer vermakelijke en smaakmakende introductie op Hawinkels is Martin Ros’ ‘Terug naar Pé Hawinkels’ in Liefde en Ouderdom (Amsterdam 1993)

Een aantal tekstfragmenten van en over Pé Hawinkels in de DBNL vindt u hier.

Hier vindt u alle Literatuurportretten >>