Een zestiende-eeuws ‘huisboek’ uit Venlo

Hannie van Horen-Verhoosel, juni 2018


Het eerste blad van de Cockanjetekst in het handschrift KB Brussel II 144 met de Latijnse beginregel Narratio de terra suauiter viuentium [vertelling over het land waar het goed leven is]

Op 169 bladzijden krijgen we een keur aan teksten voorgeschoteld, een bonte mengeling van wereldlijke en geestelijke liederen, wijze raadgevingen over de liefde en sproken (korte rijmende verhalen) wordt afgewisseld met een zo mogelijk nog bontere verzameling spreekwoorden en zegswijzen, grappen, heiligenkalenders, parodieën op preken en schertsrecepten, in totaal zo’n 476 teksten.


Tijd en plaats?

Het bepalen van de tijd van ontstaan van middeleeuwse handschriften is meestal een lastige zaak. Ontbreken er verwijzingen naar de schrijver of bezitter - zoals het geval is bij het Venlo’s-Gelders huisboek - dan kan het gebruikte schrift een aanwijzing geven. Vergelijking met het schrift in andere boeken waarvan jaar en herkomst wel bekend zijn, levert dan een globale datering op. In het huisboek blijkt het schrift uit het begin van de zestiende eeuw te dateren.

Bij het bepalen van de plaats van ontstaan - ook al zo’n speurtocht - is vaak de taal een aanwijzing. In ons geval is die het ‘Ripuarisch’, een mengtaal van Middelnederlands en (middeleeuws) Hoogduits, die onder andere werd gesproken en geschreven aan de oostelijke rand van het tegenwoordige Limburg. Het Ripuarisch van deze regio wordt ook wel Gelders-Limburgs, Zuidgelders of Kleverlands genoemd. Daarbij worden in de tekst een aantal malen de plaatsen Venlo en Geldern (de hoofdstad van het hertogdom Gelre) genoemd, die in die periode een taalkundige en culturele eenheid vormden. Om die reden kan het huisboek zonder veel risico gelokaliseerd worden in de regio Venlo-Geldern.

Stadsplattegrond van Venlo in 1649 gepubliceerd door Joan Blaeu
Huisboek of liedboek?

De Venlo’s-Gelderse tekstverzameling wordt als ‘huisboek’ betiteld. Het begrip kan verwijzen naar een handschrift of vroege druk met wetenswaardigheden over de meest uiteenlopende thema’s, maar ook naar de privé-aantekeningen van een koopman of naar een ‘familieboek’ met gegevens over een familie, zoals de stamboom.

Verwant aan de huisboeken zijn de zestiende-eeuwse liedboeken: handgeschreven of gedrukte bundels met liedteksten, soms met muzieknotatie, die veelal de liefde in de meest brede zin van het woord behandelen, maar ook andere thema’s als onderwerp hebben. We vinden er onder meer lofzangen, liefdesgroeten, morgen- en avondliederen, afscheids- en klaagliederen, maar ook kluchtige liederen, spot- en soldatenliederen. Uit het Maas-Rijnland zijn verschillende van dergelijke liedboeken bekend, ze bevatten teksten die ook in het Venlo’s-Gelders huisboek voorkomen.

We kunnen onze tekstverzameling dus beschouwen als een mengvorm: de wetenswaardigheden en praktische raadgevingen zijn typerend voor een huisboek, de wereldlijke en geestelijke liederen voor een liedboek.

Ook in een andere zin is het boek een mengvorm. In elk geval weerspiegelt het een stedelijk milieu en werd het gebruikt binnen een groep, zoals een vriendenkring, broederschap of familie. In de richting van studentenpoëzie wijzen de geparodieerde preken, de taalgrappen en de tweetalige teksten (Latijn/Nederlands). Opvallend zijn de spotliederen, de parodieteksten en schertsrecepten, de liederen met seksuele toespelingen (en soms zelfs grofheden), die duiden op een vermaaksfunctie van het handschrift, de ‘wereld van het spel tegenover de wereld van de werkelijke levenservaring, zottigheden die mensen aan het lachen maken’, zoals Herman Pleij het omschrijft. Denk aan de stedelijke feestcultuur met zijn gezelschapsspelen, of aan de vastenavondopvoeringen tijdens carnaval!

Maar er staan daarnaast teveel serieuze teksten en wijze raadgevingen in het huisboek om een eenduidige functie ervan vast te stellen.


Van belang

Het belang van het Venlo’s-Gelders Huisboek zit hem in het feit dat er relatief veel ‘unica’ in staan: teksten die niet uit andere bronnen bekend zijn. De helft van de wereldlijke liederen zijn unica, van de geestelijke liederen kennen we veel meer paralleloverleveringen. Daarnaast is er het interessante ‘kleingoed’, dat een derde van het handschrift beslaat. De spreuken, gezegdes, weetjes en berijmde kalenders doen eerder aan een almanak denken dan aan een literair handschrift. Tervooren spreekt in dit verband van een ‘soort zelfhulpboek’, dat een blik werpt op ‘de literaire en culturele belangstelling van een tijdperk binnen een geografisch beschrijfbaar gebied’.

Het Land van Cockanje door Pieter Baltens (circa 1527–1584) in KB Brussel II 144
Het land van Cocagne, priamels, wijsheden en liedjes

Een van de bekendste teksten in het huisboek is ‘Van dat edele lant van Cockaengen’, ofwel Cocagne, beter bekend als ‘Luilekkerland’. Iedereen kent nog de voorstelling van de berg rijstebrij en ook bij de zestiende-eeuwer liep het water in de mond: de vlaaien, het gevogelte en de vis bakken en braden zichzelf en zijn er op elk moment van de dag in overvloed:

Want het regent .iij. werff sdages vladen, [vlaaien]
Palingen ende pastien gebraeden.
Men vynt van alles genoich,
Elick mynsche nae syn gefoech.
Daer en bleyff nymant onberaeden, [niemand had te weinig]
Want dye gansen gaent hem selven braeden,
Visch, vleysche ende vette capunen
Koecken [koken] hem selven tot allen nonen. [de hele dag]

De eerste tekst in het handschrift is een zogenaamde ‘priamel’, een kort spreukachtig gedicht met een verrassende wending aan het slot:

Eyn jaermerct sonder dieffden, [dieverij]
Schoen vrouwen sonder liefden,
Goyde wyn sonder coup, [azijnsmaak]
Groit vuyr sonder roeck,
Eyn alt wambesch sonder luyss, [oude jas zonder luizen]
Eyn alt huis sonder muyss,
Eyn quaet wyff sonder schelden:
Dese seven vynt men selden.

Op deze eerste priamel volgen volkswijsheden als:

Got ende dye vrede sy in desen huyss,
ende dye duyvel int gasthuys, daer syn bedden genoech.

Of:

Weeren dye luyde all even goit, [goed]
soe en hedde dye duvel geyn naringe. [dan had de duivel niets te doen]

Minneliederen zijn royaal vertegenwoordigd, vaak in de vorm van een liefdesgroet:

Got groet dich lieff, frisch ende stolt [dapper]
dat alle dye bergen weren golt, [goud]
ende dat alle wateren weeren wyn,
dat ic des moechte eyn here syn [al zou dat alles van mij zijn]
dat wolde ick liever verliesen
dan eyn ander voer dich verkyesen. [dan een ander boven jou verkiezen]

Aan het begin van een serie geestelijke liederen staat het volgende Marialied:

West mi gegroet, o maget suet,
Myn herte verhoeget ende all myn moit, [gemoed]
Dat ick u loff maech prysen.
Ick bidde u fruntelick dor u oitmoet [zachtmoedigheid]
Dat ghi mi wilt in wederspoet
Troist geven, soe lange als ick sall leven.

Het Venlo’s-Gelders Huisboek bevat ook vrijmoedige liederen. In het volgende lied wordt een raadselachtige link met Venlo gelegd. Voor de goede verstaander:

Te Venloe all in dye goyde statt
ontmoet ick eyn jonfrouwe schoen,
vrundelick dat sy my batt: [vroeg]
‘Knaep’ seide sy, ‘dat u got loen,
segt my dye waerheit sonder hoenen, [misleiden]
dat u got hoede ongeschent:
weit ghy yet vanden snaeren doenen? [bent u handig op de snaren?]
ick heb soe goyden instrument’.

Het Brusselse handschrift waarvan het Venlo’s-Gelders huisboek deel uitmaakt, is niet in zijn geheel uitgegeven. De Duitse filoloog Robert Priebsch publiceerde er delen uit in 1894 en 1907, daarvan heb ik dankbaar gebruik gemaakt. Wel is een complete digitale editie in voorbereiding, die zal verschijnen in de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden op de site van Huygens-KNAW.


Literatuur
  • Robert Priebsch, ‘Noch einmal “Van dat edele lant van Cockaengen”.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 13 (1894), p. 18-191
  • Robert Priebsch, ‘Aus deutschen Handschriften der Königlichen Bibliothek zu Brüssel VI.’ In: Zeitschrift für deutsche Philologie 39 (1907), p. 301-333 en 436-467
  • Herman Pleij, Dromen van Cocagne. Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven. Amsterdam 1997. Een hoofdstuk daaruit, met als titel ‘Cocagne, vreten en vasten’, verscheen in Literatuur 14 (1997)
  • Helmut Tervooren, ‘Literarisches Leben in Städten des Geldrischen Oberquartiers im 16. Jahrhundert. Bemerkungen zur Brüsseler Handschrift II, 144.’ In: Schnittpunkte. Deutsch-niederländische Literaturbeziehungen im späten Mittelalter, Münster 2003
  • Helmut Tervooren, Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas. Berlijn 2006