Geheime prenten bij een verboden tekst

Lou Spronck, oktober 2017

Toen de Maastrichtse journalist en dichter Theodoor Weustenraad, 43 jaar jong, overleed aan cholera, was zijn epische gedicht in Maastrichts dialect Percessie van Scherpenheuvel nog niet af. Hoewel in afschrift wijd verbreid en bewonderd, verscheen de Percessie pas in druk in 1931.
Waarom duurde het 82 jaar voordat het gedicht het licht mocht zien? En waarom moesten de prenten van Charles Eyck voor die uitgave geheim blijven? Dat zijn heikele kwesties in de literatuur in Limburg.

Theodoor Weustenraad

Theodoor Weustenraad werd in 1805 geboren in Maastricht en overleed in 1849 in Jambes (bij Namen). Na zijn rechtenstudie in Luik voerde hij in het Maastrichtse dagblad L’Éclaireur fel oppositie tegen de regering van koning Willem I. Toen de stad in 1830 niet meeging in de Belgische opstand, week hij uit naar Luik. Daar bleef hij actief in de liberale pers en verwierf hij faam als dichter die de lof zong van de techniek en de vooruitgang. Zo publiceerde hij in 1842 Le Remorqueur (bedoeld is: de locomotief) die, rook en vuur spuwend, de wereld een nieuwe era van vrije mensen zou binnenvoeren. De dichter zegt het zo:

Symbole intelligent de force créatrice Du canon détrôné sublime successeur Toi qui, pour nous sauver, vins achever l’ouvrage Commencé par la Liberté

(Intelligent symbool van scheppende kracht, verheven opvolger van het onttroonde kanon. Jij die, om ons te redden, het werk kwam voltooien dat door de Vrijheid begonnen is.)

Deze retorische verzen, met élan voorgedragen, maakten 175 jaar geleden grote indruk op de jonge generatie die heilig geloofde in de ‘modernité’: de nieuwe tijd, die uit de Verlichtingsideeën ontstaan was en door de industriële revolutie werd voortgestuwd.
Weustenraad kon in zijn ballingschap maar moeilijk verwerken dat de poorten van zijn geboortestad in 1830-1839 voor hem gesloten bleven. Het verdriet en de woede daarover heeft hij in 1834 uitgeschreven in de ‘élégie’ Maestricht. Generaal Dibbets, de opperbevelhebber die door zijn strakke regiem de stad voor Nederland behield, is daarin de zondebok, die geen enkel begrip heeft voor de gevoelens en belangen van de burgerij.

Toutes les lois sont mortes! Dibbets les écrasa sous ses pieds triomphants, Dibbets a fait clouer la justice à tes portes; le canon au dehors et le sabre dedans.

(Alle wetten zijn dood! Dibbets vermorzelde ze onder zijn triomferende voeten. Wat recht was heeft hij vastgenageld aan de poorten. Hij regeerde met het kanon buiten de muren en de sabel in de stad.)

De Dibbetslegende heeft in Maastricht een taai leven geleid. Aan het ontstaan ervan heeft Weustenraads ‘élégie’ ongetwijfeld bijgedragen.
Weustenraad is niet oud geworden. Eind juni 1849, op terugreis van Valkenburg naar zijn familie in Jambes, raakte hij in Maastricht of in Luik besmet met de cholerabacil. Een dag na aankomst in Jambes barstte de verwoestende ziekte uit. Twaalf uur later was hij dood.

De Percessie

Vanaf ongeveer 1840 heeft Weustenraad gewerkt aan zijn Percessie van Scherpenheuvel. Hij schreef eraan wanneer het hem uitkwam en las er graag uit voor aan zijn vrienden. Aan een uitgave heeft hij waarschijnlijk nooit gedacht. Toen hij stierf telde het gedicht 2000 versregels. Vrienden hadden intussen afschriften vervaardigd, die op hun beurt werden afgeschreven. Hoewel de Percessie in de wandelgangen frequent werd besproken, zweeg men erover in het publieke domein. Daar golden Weustenraads erotische vrijmoedigheden en zijn openhartige kritiek op priesterschap en kerkelijke gebruiken immers als ongepast. ‘Geen lectuur voor jongelui!’ schreven vaders in hun behoedzaam bewaarde Percessie-cahiers. Zij dachten daarbij aan fragmenten als:

Wat huurt d’r in de meiste kèrke Woe dat gewoenlek weurt gepreek? De mins vervloke en verdeume Veur beuz’lerij en gekke streek; D’n duvel vaan ’t vleis bestrije, Dee mie es us die hiere plaog, En noe en daan dees iew verwinse Die neet mie nao hun lèsse vraog.

(Wat hoort u in de meeste kerken waar gewoonlijk gepreekt wordt? De mens vervloeken en verdoemen voor gebeuzel en zottigheid; de duivel van het vlees bestrijden, die, meer dan ons, die heren plaagt, en nu en dan deze eeuw verwensen die niet meer om hun lessen vraagt.)

Ze laog en sleep wie ’nen ingel Häör zwarte haore oeterein; ’N hand oonder de kop verborge En d’aander boven op ’t bein; Häör lachend muilke hallef op De wange heit en gleujend roed D’n hals achtereuver nao väöre En häör sniewitte tètsjes bloet.

(Ze lag te slapen als een engel, haar zwarte haren los, een hand verborgen onder haar hoofd en de andere op haar been; haar lachend mondje half open, de wangen heet en gloeiend rood; het hoofd achterover gebogen en haar sneeuwwitte borstjes bloot.)

Hypocrisie

Vele decennia ging de Percessie als bijna zondig tijdverdrijf van hand tot hand. Wie zich met literatuur inlieten, vermeldden weliswaar het bestaan van het gedicht en toonden soms ook waardering voor mooie fragmenten, maar merkten daarna snel op dat het libertijnse karakter van het poëem niet toeliet dat het in de openbaarheid kwam.
Die hypocrisie leidde tot ‘de stunt’ van 1931. Charles Nypels, centrale figuur in een groep jonge artiesten, besloot het gedicht uit te geven, maar wachtte zich wel de naam van de medewerkers wereldkundig te maken. Hij vroeg zijn vriend Charles Eyck om illustraties te maken - door Eyck cryptisch gesigneerd met ‘L.S.’ - en zorgde ervoor dat het gedicht ‘voltooid’ werd door er 39 strofen aan toe te voegen. Hij liet het resultaat vervolgens drukken in Utrecht, niet in 20 exemplaren zoals het colofon vermeldt, maar in 200. Charles Eyck, die juist in die tijd zijn eerste grote kerkelijke opdrachten kreeg, heeft nog geprobeerd zijn prenten terug te trekken, maar Nypels zette door.
Ook na 1931 bleef de Percessie alleen in de wandelgangen bespreekbaar. Vergeefs poogde Hans Derks in 1964 met een nieuwe, goedkope uitgave het taboe op antiklerikale uitingen en vrijmoedigheid op seksueel gebied te doorbreken. Die vrijheid kwam pas begin jaren zeventig. Zelfs Charles Eyck, die zijn bemoeienis met de Percessie systematisch ontkend had, gaf toen ‘sub rosa’ zijn participatie toe.
Een lovend tijdschriftartikel van Geert van Istendael leidde in 1994 tot een derde, fraaie uitgave van de Percessie, met illustraties van Toussaint Essers. Toen bleek de lange ‘Victorian age’ definitief voorbij. Een vierde en een vijfde uitgave verschenen in 2009: de eerste met toevoeging van twee cd’s waarop het gedicht wordt voorgelezen, de tweede een wetenschappelijke tekstuitgave als onderdeel van het proefschrift van Lou Spronck over Weustenraad en zijn Percessie.

Literatuur

Werk van Weustenraad, dus ook de uitgave van 1931, ligt in de Stadsbibliotheek Maastricht (Centre Ceramique). Van de bovengenoemde titels zijn digitaal te raadplegen:

  • Poésies lyriques (Bruxelles 1848); daarin ‘Le Remorqueur’en ‘La ville natale’ (bewerking van ‘Maestricht’)
  • de geluidsopname van de Percessie vaan Sjerpenheuvel (VLAM, Maastricht 2009)
  • Lou Spronck, Theodoor Weustenraad (1805-1849) en de ‘Percessie van Scherpenheuvel’ (Hilversum 2009), deel B (gewijd aan de Percessie)

Hier vindt u alle Literatuurportretten >>